Het debat over de staatshervorming is terug. De argumenten om niets te doen geraken stilaan op.

Quinten Jacobs

Advocaat grondwettelijk recht

12 juni 2026 14:52

De essentie

  • De auteur
    Quinten Jacobs is advocaat grondwettelijk recht, praktijkassistent aan de KU Leuven en auteur van ‘Het betonnen beleid’.
  • De kwestie
    In het debat over een nieuwe staatshervorming wordt die te duur of politiek onwenselijk genoemd.
  • De conclusie
    Hoe langer hoe meer geldt: ofwel snijden in de sociale zekerheid, ofwel een zevende staatshervorming.

Na de open brief van experts in De Standaard en een gelijkluidende oproep om een nieuwe staatshervorming in De Tijd lanceren economen en juristen het ene na het andere voorstel om de federale begroting via een staatshervorming uit het slop te trekken. De rode draad is dat de budgettaire vergrijzingsbom tussen de deelstaten moet worden verdeeld en dat de deelstaten daarvoor fiscale autonomie moeten krijgen.

Maar er is ook tegenwind. In De Morgen beweert hoofdcommentator Bart Eeckhout dat een staatshervorming politieke fictie is en bepleit Tom Zwaenepoel van de pro-Belgische beweging B Plus dat net een herfederalisering van bevoegdheden ons land ‘efficiënter’ zou maken. Ze hebben allebei ongelijk.

Eerst en vooral de inhoudelijke argumenten: zowel Eeckhout als Zwaenepoel trekt een rechtstreekse lijn tussen het hoge overheidsbeslag in ons land en de opeenvolgende staatshervormingen. De staatshervormingen zouden volgens hen tot ‘administratieve verveelvoudiging’ hebben geleid. Ook bij liberale politici klinkt het met de regelmaat van de klok dat staatshervormingen ons miljoenen euro’s aan extra politici, ambtenaren en administraties kosten.

Dat klinkt catchy, maar het klopt niet. Natuurlijk kunnen onze verschillende overheden efficiënter worden georganiseerd. Uit een studie van de Nationale Bank van 2021 blijkt dat ons land meer uitgeeft aan de werking van de overheid dan sommige buurlanden. Maar volgens diezelfde studie is slechts 8 procent van al die uitgaven afkomstig van alle deelstaten opgeteld, tegenover 25 procent van de lokale besturen en 67 procent van de federale overheid. Hoewel de deelstaten bij de zesde staatshervorming nieuwe bevoegdheden kregen, stegen hun uitgaven aan de werking van de staat volgens de studie slechts ‘quasi marginaal’.

Nederland is een unitaire staat en geeft volgens de studie van de Nationale Bank per capita meer uit aan de werking van de staat dan België.

Nederland is een unitaire staat en geeft volgens de studie per capita meer uit aan de werking van de staat dan België. Duitsland is een federale staat en geeft minder uit per capita. Zou het dan kunnen dat de kosten van de overheid niet zozeer te maken hebben met de gesplitste administraties, maar wel bijvoorbeeld met de hoogte van ambtenarenlonen of het management van de dienst?

Een tweede argument is dat een overdracht van de gezondheidszorg aan de deelstaten het budgettaire probleem niet zou oplossen, maar alleen zou verplaatsen. Maar ook dat is een misvatting.

Uit een studie van de UGent blijkt dat 2,9 miljard euro - bijna zes keer de opbrengst van bijvoorbeeld de meerwaardebelasting - kan worden bespaard als de (federale) curatieve en de (deelstatelijke) preventieve gezondheidszorg beter op elkaar worden afgestemd. Los daarvan zorgt de overdracht ervoor dat de vergrijzingsbom voor alle overheden budgettair beter kan worden geabsorbeerd. De budgettaire inspanning wordt namelijk gespreid.

Te midden van een vergrijzingsgolf en met snel stijgende rentelasten in het achterhoofd is dat geen luxe. En met meer fiscale autonomie stijgt het budget van de deelstaten ook niet meer op automatische piloot en kunnen hun budgettaire keuzes transparant worden beloond of afgestraft door de kiezer.

Schaalvoordelen

Een laatste inhoudelijk argument is dat bevoegdheden efficiënter federaal kunnen worden gehouden omwille van de schaalvoordelen. Dat klopt tot op zekere hoogte. Maar in een land met twee grote deelstaten als Vlaanderen en Wallonië, die samen vrijwel het hele Belgische grondgebied bestrijken en ook bevoegdheden in de twee kleinere deelstaten uitoefenen, weegt dat argument niet zo zwaar.

Voor bevoegdheden waar die schaalvoordelen wel aan belang winnen, zoals defensie en energie, lijkt de Europese Unie een beter alternatief, omdat die schaalvoordelen daar nog vele malen groter zijn. Natuurlijk is herfederaliseren geen taboe, maar dan graag met goede argumenten.

Hoe langer hoe meer geldt: ofwel snijden in de sociale zekerheid, ofwel een zevende staatshervorming. Voor veel kiezers is de keuze dan snel gemaakt.

Naast inhoudelijke argumenten voeren Eeckhout en Zwaenepoel ook aan dat een staatshervorming politieke fictie is, omdat niemand ervan wakker ligt, zeker niet aan Franstalige zijde.

Dat is juist, maar kiezers liggen wel wakker van de betaalbaarheid van hun pensioen en hun gezondheidszorg. Net daar begint het schoentje elk jaar meer te knellen. Aangezien de sociale zekerheid de enige relevante budgettaire kostenpost is op het federale niveau, zullen alle federale regeringen van de komende twintig jaar in die sociale zekerheid moeten snijden om het begrotingstekort enigszins te beteugelen. Hoe langer hoe meer geldt: ofwel snijden in de sociale zekerheid, ofwel een zevende staatshervorming. Voor veel kiezers is de keuze dan snel gemaakt.  

Opgelet, dat betekent niet dat het eenvoudig zal zijn. Om dit land budgettair op orde te krijgen zullen haast alle niet-radicale partijen de handen in elkaar moeten slaan voor een grote deal over de instellingen van dit land, de bevoegdheidsverdeling, de bijzondere financieringswet en de institutionele toekomst van Brussel. Dat impliceert veel voorbereiding, zowel politiek als technisch.

Net op het moment dat bij experts steeds meer consensus groeit over de nood aan een staatshervorming, liggen de Vlaamse partijen die al decennialang over die staatshervorming emmeren te slapen.

Het echte drama is daarom niet dat de Franstalige partijen niet mee willen, maar wel dat de Vlaamse partijen nog aan die voorbereiding moeten beginnen. Net op het moment dat bij experts steeds meer consensus groeit over de nood aan een staatshervorming, liggen de Vlaamse partijen die al decennialang over die staatshervorming emmeren te slapen. Noch op technisch niveau, noch op politiek niveau heeft de federale of de Vlaamse regering al enig initiatief genomen.

Voor een regering die zich graag in het rijtje van de christendemocraten Wilfried Martens en Jean-Luc Dehaene zet, is dat nochtans het belangrijkste ontbrekende puzzelstuk voor haar echte afspraak met de geschiedenis.