‘De enige uitweg uit de Franstalige onderwijscrisis is een staatshervorming’
Voorzitter van Vista 13-06-2026, 14:00
‘De beelden van het protest in Brussel leiden af van het groter probleem waar de Franse Gemeenschap mee te kampen heeft’, schrijft Jan Wostyn.
De voorbije weken bereikten de protesten tegen de besparingen in het Franstalig onderwijs een nieuw hoogtepunt. In Brussel liepen sommige manifestaties uit de hand, met brandende steps en vernielde bushokjes. Maar die beelden leiden vooral de aandacht af van een veel fundamenteler probleem: de Belgische staat moet worden hervormd. In Vlaanderen sluiten steeds meer academici en intellectuelen zich daarbij aan, zoals recent Gert Peersman en Quinten Jacobs. In Franstalige kringen blijft het hierover echter opvallend stil. Ten onrechte.
De dramatische begrotingscijfers van de Franse Gemeenschap, ongrondwettelijk ook de Fédération Wallonie-Bruxelles (FWB) genoemd, spreken voor zich. Zelfs met de geplande besparingen zal het tekort in 2026 nog altijd 1,6 miljard euro bedragen, tegenover inkomsten van ongeveer 13,5 miljard euro. De FWB geeft dus ongeveer 12 procent meer uit dan ze via dotaties ontvangt. De meerderheid van MR en Les Engagés wil dat tekort tegen 2029 terugbrengen tot 1,2 miljard euro, maar zelfs dan zou het nog altijd meer dan 8 procent van de inkomsten bedragen.
Ook de Vlaamse Gemeenschap heeft in werkelijkheid een tekort, maar omdat in Vlaanderen het Gewest en de Gemeenschap samengevoegd zijn, verdwijnt dat tekort in de gezamenlijke begroting. Aan Franstalige kant is dat anders: de FWB wordt uitsluitend gefinancierd via dotaties en kan zelf geen belastingen heffen. Daardoor zijn besparingen de enige manier om te vermijden dat de stijgende schuld een rentesneeuwbal veroorzaakt. Tegen 2029 dreigt die schuld op te lopen tot 21,6 miljard euro, meer dan 150 procent van de ontvangsten. Een begrotingsevenwicht is nergens in zicht, waardoor de schuld verder zal blijven toenemen.
De huidige maatregelen zijn dan ook volstrekt onvoldoende om de situatie structureel te verbeteren. De verhoging van het inschrijvingsgeld tot het Vlaamse niveau wordt vaak voorgesteld als een aanval op het hoger onderwijs, maar is in werkelijkheid vooral een correctie van onverantwoord en niet-gefinancierd beleid uit het verleden.
De verhoging van het aantal lesuren in het hoger secundair onderwijs van twintig naar tweeëntwintig is voor leerkrachten uiteraard veel moeilijker te aanvaarden. Maar zolang men de huidige Bijzondere Financieringswet niet ter discussie wil stellen, zijn er eenvoudigweg geen andere mogelijkheden.
Het verzet tegen deze maatregelen is begrijpelijk, maar blijft emotioneel en irrationeel zolang er geen alternatieven worden voorgesteld. Bovendien is het duidelijk dat de protestbeweging deels wordt beïnvloed door extreemlinkse groepen die geweld niet schuwen en het zelfs vergoelijken. PS en PTB hopen hier misschien electoraal munt uit te slaan, maar hoe zij dan het structurele en onhoudbare schuldenprobleem van de Franse Gemeenschap willen oplossen, blijft onduidelijk. De enige uitweg uit de Franstalige onderwijscrisis is een interne staatshervorming.
De gevolgen van die besparingen zijn intussen moeilijk te overzien. Hoeveel scholen hun examens volledig of gedeeltelijk hebben geschrapt, is onduidelijk, maar het staat vast dat de huidige crisis de al zwakke kwaliteit van het Franstalig onderwijs geen goed doet. De protesten zullen deze maand voortduren en het is allesbehalve zeker dat de start van het nieuwe schooljaar in september rustig zal verlopen. Op langere termijn dreigen ook de Waalse en Brusselse economie de gevolgen te voelen, doordat steeds minder goed opgeleide jongeren de arbeidsmarkt betreden.
In Brussel zal de druk op de Vlaamse scholen, die vandaag al overbevraagd zijn, daardoor nog verder toenemen. Vooral in tweetalige gezinnen wordt de keuze voor Nederlandstalig onderwijs steeds vanzelfsprekender. Het Franstalig onderwijs verliest al tientallen jaren geleidelijk marktaandeel en kent sinds vijf jaar ook een absolute daling van het aantal leerlingen. Dat komt deels door de concurrentie van de Vlaamse scholen en deels door de dalende geboortecijfers, die al in 2010 in Brussel hun hoogtepunt bereikten. Omdat het aantal leerlingen ook bepalend is voor de verdeling van de onderwijsmiddelen tussen de gemeenschappen, dreigt het Franstalig onderwijs daardoor nog verder in de problemen te raken.
In 1995-1996 waren de langdurige protesten in het Franstalig onderwijs al een aanleiding voor de vijfde staatshervorming, die extra financiering voor de gemeenschappen voorzag. Opmerkelijk genoeg pleitte de PS al in 2020, via Frédéric Daerden, voor een herziening van de financieringswet vanwege de budgettaire problemen van de Franse Gemeenschap. Ook Elio Di Rupo en Paul Magnette lieten zich toen in die zin uit. Uiteindelijk werd echter de Vivaldi-regering gevormd en verdween een staatshervorming opnieuw naar de achtergrond.
Door de desastreuze toestand van de federale financiën is het vandaag niet langer mogelijk om de dotaties aan de gemeenschappen vanuit de federale staatskas te verhogen. Daar is eenvoudigweg geen ruimte meer voor. De enige realistische oplossing lijkt een interne staatshervorming aan Franstalige zijde, waarbij alle bevoegdheden van de Franse Gemeenschap worden overgedragen aan het Waalse Gewest en aan de COCOF, de Franse Gemeenschapscommissie in Brussel.
Op die manier zouden binnen Wallonië middelen kunnen worden verschoven tussen gewest en gemeenschap, zoals dat in Vlaanderen al gebeurt. Dat zou wel een veel strengere financiële discipline vereisen van het Waalse Gewest, dat vandaag zelf ook niet in staat lijkt om op korte termijn een begrotingsevenwicht te bereiken.
In Brussel is de situatie nauwelijks beter, al lijkt daar het besef dat drastische besparingen nodig zijn sterker doorgedrongen. Stel dat het Brussels Gewest er zoals gepland in slaagt om tegen 2029 een begrotingsevenwicht te bereiken en nadien extra middelen voor onderwijs kan toekennen via de Franse en Vlaamse gemeenschapscommissies, dan duikt meteen een nieuw probleem op. De vaste verdeelsleutel tussen beide gemeenschappen bedraagt immers 80 tegenover 20 procent.
Intussen heeft het Vlaamse onderwijs in Brussel echter een marktaandeel van 22 procent bereikt, en dat aandeel zal de komende jaren verder stijgen. In het kleuteronderwijs bedraagt het vandaag zelfs al 27 procent. De vraag dringt zich dan ook op of die verdeelsleutel niet moet worden herzien.
Kortom, eenvoudige oplossingen bestaan niet meer. De struisvogelpolitiek van de Franstalige politieke klasse ten aanzien van de budgettaire problemen van de Franse Gemeenschap dreigt zich nu tegen haar te keren.
Maar ook Vlaanderen heeft geen belang bij een langdurige onderwijscrisis in Wallonië en Brussel. Het is sowieso onaanvaardbaar dat is ons welvarende land duizenden Franstalige jongeren verstoken blijven van hun grondwettelijk recht op onderwijs. Er zullen bijzonder verstandige staatsmannen en staatsvrouwen nodig zijn om een akkoord te sluiten waarbij niemand erop achteruitgaat.
Jan Wostyn is voorzitter van Vista, een politieke beweging die de band tussen Brussel en Vlaanderen wil versterken en co-auteur van “Het Brusselse moeras” dat in februari verscheen bij Ertsberg.
Lees ook:
– ‘Brussel is Vlaanderen niet. Waarom doet ons onderwijs dan alsof?’
– Bootcamps voor relschoppers: fascistisch voorstel of goed idee?